Iwan 2 mei 2018

Door: Ineke Doornbos

Mevrouw Jellie Hoeksema-Helmus was 13 jaar toen
ze de Duitse soldaten in de straten van Noordhorn
binnen zag rijden.

Kort na de inval verhuisde ze naar Niezijl.
Haar oudste broer kreeg kinderverlamming,
haar vader werd te werk gesteld in Wilhemshaven
en de dienstbode hadden ze niet meer.
Ik moest mijn moeder hard helpen in de
huishouding en dat was zwaar.
”, vertelt mevrouw
Hoeksema. Door haar donkere huid en zwarte haar
leek ze Joods en moest ze erg oppassen. Soms werd ze door haar moeder binnen gehouden.

Er was een man in Niezijl die eens tegen zijn zoon Harm zei: ‘Denk goed om dat meisje,
ze heeft het moeilijk.’

Dat meisje was Jellie. Harm en Jellie raakten bevriend. De 19-jarige Harm kreeg kort daarop
een oproep om in de Mercedes fabriek in Frankfurt aan de Main te werken. Op het station vroeg
ze hem of hij een paspoort had. ‘Een paspoort? Wat is dat’, reageerde hij. Van de Duitsers
ontving hij er een. Harm zag erg op tegen het verblijf in Duitsland. Het ging er hard aan toe,
maar als jongen uit een streng gereformeerd gezin wist hij zich te handhaven.

Na een jaar in Duitsland mocht Harm, wegens goed gedrag, op verlof. Voor hij vertrok, moest hij
een papier ondertekenen als bewijs dat hij weer terug zou komen. Zo niet dan zou een inmiddels
bevriende Belg, die daar ook moest werken, de kogel krijgen.

Na een tweede verlof ging Jellie met hem mee naar Utrecht waar hij verder zou reizen
naar Duitsland. Op het station werd het afscheid moeilijk. ‘Ik wil eigenlijk niet meer terug Jellie’,
zei hij. Ze besloten dat ze samen terug naar Groningen zouden gaan. Om niet gesnapt te worden
wisselden ze steeds van wagon.

Opnieuw werden de twee van elkaar gescheiden omdat Harm moest onderduiken bij verschillende
boeren in Friesland. In Niezijl sliep hij op een hooizolder boven de paarden. „Ik kon de plek vanuit
mijn huis zien maar ik ben er nooit geweest. Te gevaarlijk
”, vertelt Jellie. Harm kreeg, als zo velen
in die tijd, difterie. De dokter bracht hem in het geheim medicijnen. Na zijn ziekte reed hij
met de post. Jellie ging vaak met hem mee. „De ritten waren inspannend, er stond veel onder water
en er was geen verlichting
, “ vertelt ze.

In Zoutkamp, waar Harm inmiddels werkzaam was bij een busonderneming, zat hij in het hol
van de leeuw. De Engelsen vlogen over en er waren veel vluchtende Duitsers die hij moest vervoeren.
Uit angst dat hij op het laatste moment nog doodgeschoten zou worden, maakte hij de bussen
onklaar. Hij ging terug naar Niezijl waar hij als monteur ging werken bij de firma Huizinga.

 

Leave a comment.

Your email address will not be published. Required fields are marked*